De zin van het bestaan

Jazz is not dead. It just smells funny (Frank Zappa). Luister naar zijn Peaches en Regalia in midi-uitvoering.



Over alcohol, tabak en jazz. En over sport...

Ik heb een paar jaar als tekstschrijver gewerkt bij de ABN. Eerst op het hoofdkantoor in Amsterdam, later bij het computercentrum in Amstelveen. Ik heb ook een paar keer meegewerkt aan het personeelsblad Ankertros. Voor de jongerenpagina Trossie schreef ik tussen december 1979 en september 1980 drie artikelen die in het kader stonden van mijn toenmalige levensstijl: over alcohol, tabak en jazz. Oftewel: over de zin van het bestaan.

Hoort sport misschien ook in dit thema thuis? Ik interesseer me op geen enkele manier voor sport, maar in 1983, toen ik bij het Computercentrum Bondsspaarbanken werkte, werd ik erop uitgestuurd om een verslag te schrijven over de Spaarbank Sportdag. Dat artikel is door omstandigheden nooit gepubliceerd, maar ik sleep het al tientallen jaren mee in mijn digitale archief. Dus ook dit artikel tref je hieronder aan.

Tussen de bedrijven door kruisten Simon Carmiggelt en Erica Terpstra mijn pad.




Zelf bier brouwen, leuk & lekker!

ca. 1980

De een tennist, de ander verzamelt oude munten, en ik maak bier. Zo heeft ieder zijn hobby – tenslotte leef je niet alleen voor de ABN, nietwaar? Op mensen die van bier houden wordt, met name door “wijnkenners”, nogal eens neergekeken. Op recepties drink je geen bier, maar sherry (bah!) of in noodgevallen jus d’orange (zeg maar sinaasappelsap).

Een belangrijk (en leuk!) onderdeel van de voorbereidingen: het ledigen van 50 beugelflesjes.

Bier is een beetje ordinair. Mensen die bier drinken zijn luidruchtig, gooien met blikjes naar de scheidsrechter en doen vervelend tegen vrouwelijke treinpassagiers. Toch zijn er uitzonderingen, zoals ik. Ik ben een beetje verlegen, ik houd niet van voetbal, en in de trein lees ik een mooi boek.

Weinig mensen zullen in mij een bierkenner zien. Toch, als je een keer in Utrecht bent, moet je eens naar “Jan Primus” gaan, een café waar ze meer dan honderd verschillende biersoorten hebben. Daar zit ik vaak (volgens mijn chef een beetje té vaak…)

Bierkenners zijn heel anders dan wijnkenners. Wij zeggen niet: “deze Trappist heeft een iets te straffe afdronk, maar het boeket is bijzonder fleurig”. Wij zeggen gewoon: “je moet deze Brown Ale eens proberen, al had-ie van mij iets koeler gemogen.” Sommige bierkenners worden op den duur zó enthousiast, dat ze zelf bier gaan brouwen (net als sommige bankemployés, die hun eigen cheques gaan drukken). Vooral in Engeland is deze hobby erg populair. Je kunt daar veel boeken en benodigdheden kopen.

Er zijn zelfs complete bierpakketten in de handel, waarmee je heel eenvoudig en goedkoop je eigen bier kunt maken. Zo’n pakket kost daar ongeveer 8 gulden, en je kunt er ruim 22 liter bier van maken! In Nederland kun je die pakketten ook wel vinden, maar dan betaal je ongeveer twee keer zo veel. Vanzelfsprekend komen uit die pakketten Engelse biertjes tevoorschijn. Veel mensen houden daar niet zo van. Zelf vind ik Belgisch bier veel lekkerder, maar dat is niet zo makkelijk zelf te maken.

Benodigdheden voor het maken van Best Bitter.
Daarnaast zie je een fles en een “pint” gereed produkt.
Om de foto op te vrolijken heb ik er ook nog een receptenboek bijgezet.
Bij een bierpakket heb je echter genoeg aan de gebruiksaanwijzing.

Als dit artikeltje je enthousiast heeft gemaakt, moet je eens een pakket Best Bitter op de kop zien te tikken. In het bierpakket zitten alle ingrediënten (inclusief etiketjes voor de flessen), behalve de suiker. Naast een weegschaal heb je nodig: een grote pan, een stuk plastic slang, een maatbeker en een grote fles of plastic vat van 23 liter (eventueel twee kleinere). Best Bitter is een beetje bitterzoet, en de Engelsen drinken dat bier zelf het meest (maar je moet ze in Jan Primus eens zien genieten van ons Hollandse Brand UP pils!)

Behalve een bierpakket zijn een paar eenvoudige zaken nodig, die je voor een deel al in je huishouden zult kunnen vinden. Voor het bottelen gebruik ik de handige beugelflesjes van een brouwerij uit het oosten des lands. Binnen twee weken kun je al van het resultaat genieten, maar de smaak wordt in de maanden daarna nog beter. Proost!




Pijproken, ongezond maar rustgevend

ca. 1980

Om maar met een cliché in huis te vallen: “een tevreden roker is geen onruststoker.” In Trossie is meermalen aandacht besteed aan de gevaren die aan het verbranden van tabaksprodukten zijn verbonden. Aan de andere kant: de mensheid rookt niet voor niets. Pas na de ontdekking van de tabaksplant als genotsmiddel zijn de wetenschap, kunst, de industriële nijverheid, het humanisme en het politieke bewustzijn tot ontwikkeling gekomen. Zonder tabak geen beschaving, zou ik bijna durven beweren.

De redactie heeft mij echter verzocht niet al te filosofisch te worden, vandaar dat ik snel terugkeer naar mijn onderwerp: de pijp. De pijp is waarschijnlijk de oudste vorm waarin tabak tot ontbranding werd gebracht, kort daarop gevolgd door de sigaar (= gesneden tabak, gerold in tabaksbladeren). Met het in de handel brengen van sigaretten en shag heeft men eeuwen moeten wachten, totdat de wetenschap in staat was dun papier van voldoende sterkte te ontwikkelen. Pas toen kwam de nicotine binnen het bereik van de kleine man. Immers, pijpen en sigaren konden tot voor kort slechts met de hand worden vervaardigd, en waren dus duur.

... de pijproker ... de manager ... de zenuwelijder ...

Sigaretten- en vooral shagrokers zijn zenuwachtige mensen. Als ze geen pakje binnen handbereik weten, worden ze al nerveus. Voor het slapen moeten ze vlug nog even een paffertje opsteken (92% van de hotelbranden wordt veroorzaakt door sigarettenrokers!) Als ze bij de directeur worden geroepen omdat er alweer een kastekort is, rollen ze snel nog even een sjekkie.

Sigarettenrokers willen er met alle geweld “bijhoren”. Het begint al op school: hun vriendje van 13 heeft wat sigaretten van zijn vader gepikt en is plotseling een grote kerel geworden. Binnen een mum staat het schoolplein vol met rook en grauwe gezichten.

Iemand die geen sigaretten rookt zal nooit die beeldschone vrouw op zijn brommer (of zijn kameel) krijgen. Ik heb nooit een sigaret aangeraakt: ik zat altijd achter de boeken, ik heb nooit een brommer willen hebben en om mooie vrouwen gaf ik al helemaal niks.

Eerst toen ik volwassen werd heb ik bewust voor de tabak gekozen. Ik was toen student, politiek nogal actief, en ik merkte dat het roken van sigaren uitstekend bij mijn image paste. Tijdens vergaderingen en colleges zat ik altijd bedachtzaam aan mijn havanna te trekken om op het belsissende moment, tussen twee rookkringen door, een vlijmscherpe opmerking te maken.

Sigarenrokers zijn goede managers. De ware manager laat zoveel mogelijk aan zijn ondergeschikten over, steekt af en toe een goede sigaar op, en geeft op de juiste momenten een (ogenschijnlijk kleine) hint. Het zal je dan ook niet verbazen, dat ik in die tijd bij meerdere acties een belangrijke rol achter de schermen heb gespeeld en van diverse opruiende pamfletten de eindverantwoordelijkheid droeg.

Tegenwoordig ben ik zelf ondergeschikte. Echter, de stap terug naar de sigaret heb ik nooit gemaakt, ten eerste omdat ik nooit sigaretten gerookt heb en ten tweede omdat ik juist daardoor een zeer sterke persoonlijkheid heb ontwikkeld. Mijn chef rookt sigaren (meestal pikt hij die trouwens van zijn directeur) en zelf koop ik af en toe een hele grote om hem te overtroeven.

Meestal echter zit ik aan de pijp. De pijp is het meest rustgevende genotmiddel dat ik ken (van de genotmiddelen die in dit blad bespreekbaar zijn dan). Het eerste wat ik ’s ochtends doe is mijn pijpen met toebehoren voor mij uit te stallen. Het grote voordeel van pijproken is, dat het veel tijd en aandacht kost. Een sigaret steek je aan en rook je op. Een pijp moet daarentegen zorgvuldig worden gestopt en aangestoken, moet voortdurend worden schoongemaakt en moet na ieder gebruik afkoelen. De ware pijproker bezit daarom diverse pijpen en een heel assortiment hulpmiddelen.

Verder is het, zoals gezegd, van groot belang dat je er veel tijd voor kunt uittrekken. Krijg je dus ooit de kans op een baantje op het hoofdkantoor, grijp die dan met beide handen aan (het betaalt ook beter). Neem tegen die tijd maar eens contact met me op, dan help ik je wel op weg met het pijproken, want is het begin is het niet makkelijk. Het valt echter buiten het bestek van dit artikel om op de techniek in te gaan.




Jazz, interessant & swingend

ca. 1980

Na de alcohol en de tabak is het nu de beurt aan het derde thema uit de serie “De zin van het bestaan”. De auteur, Nico Spilt, is 29 jaar en houdt van alcohol, tabak en jazz. Z’n dagelijks broodje hamburger verdient hij op het Computercentrum met het zo goed en zo kwaad mogelijk leesbaar maken van door computerfanaten in elkaar geflanste instructies.

Een bebop-orkest in een veel voorkomende samenstelling:
piano, tenorsaxofoon, drums en basgitaar.

”Jazz is not dead, it just smells funny.” Om deze uitspraak van Frank Zappa kan ik best lachen (het is een bijzonder humoristisch mannetje), maar het is wel nodig hierbij wat kanttekeningen in de marge te zetten. Voor het talrijke Trossie-publiek, dat tegenwoordig doodgegooid wordt met popnieuws, is jazz een muziekvorm, uitsluitend geschikt voor generaties die een of meer wereldoorlogen hebben meegemaakt. Zij denken dan aan negermuzikanten die begrafenissen met dixieland luister bijzetten, aan bigbands met schelle trompetten, of aan saxofonisten die onbegrijpelijke klanken uitstoten. Klopt.

Toch kan de jeugdige luisteraar niet voorbij aan het feit, dat er zonder jazz geen moderne muziek zou bestaan. De “roots” van rock & roll liggen verankerd in de wortels van de jazz en de daarmee verwante blues. Het bekendste bluesschema, drie akkoorden verdeeld over 12 maten, vind je bijvoorbeeld terug in de oudste rock & roll. Alleen werden op ene gegeven moment de blazers vervangen door zangers, moest de onhoorbare contrabas het veld ruimen voor een pittig basgitaartje, en werd de niet te tillen piano vertimmerd tot gitaar.

Er bestaan vele soorten jazz. Om maar wat te noemen: dixieland (leuk om te zien, afschuwelijk om te horen), bebop (swingende muziek, veelal uitgevoerd door een kwartet of kwintet) en de zogenaamde free-jazz (alleen geschikt voor de gevorderde luisteraar). Het gemeenschappelijke kenmerk is de improvisatie: er is een thema, waarop de solisten improviseren. Het leuke is, dat een goeie solist van een afgekloven nummer toch weer iets interessants kan maken.

Ik kan niet te technisch worden, maar een belangrijke term wil ik toch wel introduceren: de blue note. Dit is een toon die niet thuishoort in de normale toonladder. Als een muzikant van een symfonieorkest geen a speelt, maar een toon die daar een fractie onder ligt, zie je de dirigent bleek wegtrekken (het publiek slaapt doorgaans, dus op zich is het niet zo erg). In de jazz kunnen zulke blue notes heel functioneel zijn, maar je oor moet er wel aan wennen.

Onder andere daarom is jazz de muziek die nooit een groot publiek zal trekken. Het is iets voor een elite, maar het aardige is dat iedereen daartoe kan behoren. Jazzmusici sterven doorgaans van de honger of aan de heroïne, en ze zijn allang blij als ze voor een paar centen in een bedompte kelder kunnen optreden. Hier liggen dus kansen voor de onderbetaalde Trossie-lezer. (Voor de goede orde: Fats Domino is geen jazz. Nooit naar het North Sea Jazz Festival gaan, dus!)

In je aandacht mag ik aanbevelen de orkesten waar Willem Breuker of Hans Dulfer (in steeds wisselende bezettingen) in meespelen. Helaas kan ik niet verder gaan in mijn adviezen. Laat je in ieder geval niet ontmoedigen als je ergens terecht komt waar je je niet thuisvoelt. Zo ben ik ook begonnen, maar na een tijdje ontdekte ik dat de muziek soms niet om aan te horen is, maar dat het publiek meestal erg leuk reageert op het enthousiasme en de humor van de musici.

Oh ja, Amsterdammers moeten tijdens de lunchpauze maar eens naar de Jazz-Inn aan de Vijzelgracht gaan, de beste jazzplatenzaak van Nederland.



Willem Breuker (1978)

Utrecht, 12 januari 1978. Willem Breuker in 't Hoogt, tijdens een uitvoering van de Zeeland Suite, een compositie van Leo Cuypers. Musicus en componist Willem Breuker overleed in juli 2010. Hij was een actieve en kleurrijke persoon in de Nederlandse jazzwereld. Op deze site komt hij even voorbij in de recensie van de film Zwartboek.

Voor meer foto's zie het fotoalbum op Flickr!

Middelburg, Damplein (?). Time is an empty bottle of wine. Putdeksel ter herinnering
aan een optreden van Willem Breuker in 1998. Foto Akbar Simonse.

Meer jazz:



Simon Carmiggelt

Ook deze foto heeft in het personeelsblad van de ABN gestaan. Links staat de toen zeer bekende schrijver en Parool-columnist Simon Carmiggelt. Als hij op de televisie was om een van zijn verhalen voor te lezen, waren de straten in Nederland leeg. Maar dat kwam misschien ook omdat het programma pas 's avonds laat werd uitgezonden. Wie kent Simon Carmiggelt nog? Of Godfried Bomans?

De Simon Carmiggelt op deze foto is overigens niet echt: het is een wassen beeld bij Madame Tussaud's. De jongeman rechts is wel echt.


Leiden, 15 november 2009. Etalage van een drankdealer in de binnenstad. Red Army-wodka (40%) in geschenkverpakking.



Spaarbank Sportdag 1983

Op 11 juni 1983 bezocht ik de Spaarbank Sportdag. Ik zou een artikel schrijven voor het blad De Spaarbank. Dat artikel is nooit gepubliceerd, omdat mijn afdelingshoofd het niet aan de secretaresse van onze directeur durfde te laten lezen. Ik heb het artikel een week later nog wel op persoonlijke titel naar de redactie van De Spaarbank gestuurd. Die vond het prachtig en had het graag willen publiceren, maar het blad lag al op de pers. Mijn afdelingshoofd is niet lang daarna op een zijspoor gezet. De enige prestatie die deze man in een moment van genade heeft geleverd, is mij helpen aan een baan waarin ik me leuk heb weten te ontwikkelen. Maar op sportdagen zie je mij niet meer.

Dat sparen een (moeilijke) sport is, is mij maar al te bekend. Minder duidelijk is het mij, wat de Spaarbanken er toe beweegt om ieder jaar een sportdag te organiseren. Ik besloot daarom maar eens te gaan kijken.

Amsterdam, zaterdag 11 juni 1983, rond de klok van negen: busladingen Spaarbankpersoneel worden afgeleverd bij (de door Marte Röling in zuurtjeskleuren beschilderde) Sporthal Zuid. Koffie natuurlijk en, ondanks de affiches "als niet-roker heb je een sprintje voor", de nodige sigaretjes om de opkomende zenuwen te blussen. De meeste Spaarbanken bleken fraaie trainingspakken en sportkleding te hebben verstrekt, al dan niet in de nieuwe huisstijl.

Om half tien begonnen de eerste wedstrijden. Bij het zaalvoetbal ging men er meteen hard tegenaan. Sommige ploegen, zoals Wageningen 2, wel eens een beetje erg hard; in het vuur van het spel vergat men soms, dat men tegen collega's speelde. De KNVB-scheidsrechters waren genoodzaakt, af en toe de rode kaart tevoorschijn te halen, en bij de EHBO druppelden de eerste slachtoffers binnen. Gelukkig verliepen de meeste wedstrijden in een sportieve en vriendschappelijke sfeer.

Het Computercentrum leverde de oudste voetballer van die dag; de heer Van Duin slaagde er echter niet in, met zijn jeugdige ploeg een finaleplaats te bereiken. De kampioen van vorig jaar, de CVB uit Utrecht, had twee zeer jonge supporters ingeschakeld, die op de juiste momenten opdoken met een enorm spandoek: "De CVB neemt elk jaar de beker mee". Dat bleek later op de dag toch niet helemaal het gewenste resultaat op te leveren, maar laat ik niet vooruitlopen op de uitslagen.

Bij het volleybal kampte men met ruimtegebrek; toen ik de zaal binnenkwam, kon ik niet direct zien hoeveel wedstrijden er nu eigenlijk bezig waren. Na ongeveer een kwartier kwam ik tot de conclusie dat het er vier moesten zijn, die echter nog wel eens in elkaar overliepen: als er een bal in een ander veld terechtkwam, speelde men daar rustig verder met twee ballen. Kortom: erg gezellig, ook al omdat verschillende herenploegen versterkt moesten worden met dames (of hoorden die eigenlijk ook op een ander veld thuis?). De meeste ploegen bleken geleverd door Amersfoort, kennelijk een echte volleybalstad, maar alleen de dames wisten voldoende ballen over het net te werken om in de prijzen te vallen.

Ook uw verslaggever heeft die dag een sportieve prestatie verricht, door binnen tien minuten van Sporthal Zuid naar het Frans Otten Stadion te lopen. Daar werd getennist, gebadmintont en getafeltennist (gebruik nooit het woord pingpong in bijzijn van een tafeltennisser!). Zonder noemenswaardige incidenten sloeg men daar, in genoegelijk samenzijn, elkaar de hele dag de bal resp. de shuttle toe. Spectaculair was de wijze, waarop de negenjarige Tjon, geassisteerd door zijn vader, tegenstander na tegenstander van het tennisveld maaide. Voor de sportwereld zou het een zonde zijn, als deze nieuwe Tom Okker over tien jaar achter een of andere balie verdwijnt.

Bij het badminton trad Wageningen met een weliswaar grote maar weinig succesvolle ploeg aan. Voor het tafeltennis had zich een van de zeldzame deelnemers van de Spaarbankbond aangemeld, de heer Lahay, die moedig maar vergeefs zijn partijtje meesloeg. Een andere eenling, de heer Junggeburt uit Huissen, had meer succes.

Na een pico bello lunch te hebben gebruikt, stapte ik op de pendelbus naar Bowlingcentrum Knijn. In een zeer geanimeerde sfeer werden daar ballen geworpen en troeven getrokken; ik signaleerde zelfs een enkel breiwerkje, maar deze sport stond dit jaar nog niet op het programma. Aan de bar werden tussen de bedrijven door de polsen getraind en de magen gevuld. Bij het bowlen waren de Rotterdammers sterk vertegenwoordigd; men had voor twee ploegen ingetekend, maar men hield genoeg spelers over om een derde team te formeren. Dit derde team bleek dermate sterk, dat het de andere volledig van de baan speelde; heel sportief was het daarom, dat deze professionals afzagen van een prijs.

Bij het klaverjassen speelde men volgens het "Amsterdamse" systeem, en daar bleken de niet-Amsterdammers zich onvoldoende op voorbereid te hebben, getuige de resultaten aan het eind van de dag. Kwade tongen beweren, dat men er bij de BdB wel erg lange lunchpauzes op na moet houden, gezien de grote mate van bedrevenheid in het klaverjasspel.

Terug naar Sporthal Zuid, voor een kijkje achter de schermen. De voorzitter van het organisatiecomité, de heer Oldenborger, vertelde mij dat er 1150 deelnemers waren ingeschreven. De grote afwezige was Den Haag: een groot deel van de ingeschrevenen bleek die dag voor een meer passieve recreatievorm te hebben gekozen, namelijk een of andere vliegshow in Scheveningen. Men had geen schijn van kans, de in 1976 door de Nutsspaarbank Den Haag beschikbaar gestelde wisselbeker weer in eigen huis te halen.

Vanaf een uur of vier begon het druk te worden in Sporthal Zuid; de wedstrijden in het Frans Otten stadion en het bowlingcentrum Knijn liepen op hun eind, en de spelers hadden honger. Rond half vijf arriveerde een vrachtwagen van KLM Party Service, tot de nok toe gevuld met zeer goed verzorgde salades; bepaald geen vliegtuigvoedsel, liet ik mij vertellen.

Terwijl de nietsvermoedende meute zich tegoed deed aan dit hemelse gerecht, brak er paniek uit bij de wedstrijdleiding: HET TOUW IS ER NIET! De scheidsrechter die dit mee zou nemen bleek er nog niet te zijn, en dat terwijl het touwtrekken over een half uur zou moeten beginnen. Een Spaarbank Sportdag zonder touwtrekken, dat is minstens zo erg als een kasverschil aan het eind van de dag. Gelukkig arriveerde de scheidsrechter met zijn touw nog net op tijd, zodat men geheel volgens planning kon beginnen met het traditionele hoogtepunt van elke Sportdag: het touwtrekken.

Spanning op de tribune, zweet in de kuip. Terwijl het publiek zijn favorieten aanmoedigde, pleegden de touwtrekkers een aanslag op vloer, handen, voetzolen en wervels. De ploegen die tegen Den Haag waren ingedeeld hadden het makkelijk: de Haagse heren lieten het helemaal afweten, en de dames hadden slechts een kansloos ploegje bij elkaar weten te schrapen.

De beslissende wedstrijden waren uiteraard het spannendst. De coach van de CVB schroomde daarbij niet, het shirt uit te trekken en met ontbloot bovenlijf de Utrechtse ploeg koelte toe te wuiven (ik heb het nu over de wedstrijd tussen de heren); dit had het beoogde resultaat. De dames uit Ruinen/De Wijk bleken geen grootspraak te plegen met hun shirttekst "Samen Sterk": ze wonnen op overtuigende wijze van hun tegenstandsters.

Tot wanhoop van het barpersoneel werd er na het touwtrekken een pauze ingelast, omdat de uitslagen uit het Frank Otten Stadion nog niet binnen waren; men was daar nog druk bezig met het opsporen van de misgeslagen pingpongballen. Eindelijk waren dan toch alle uitslagen bekend, en kon men aan de prijsuitreiking beginnen. De tweede en de derde prijzen werden uitgereikt door de heer Oldenborger, die zich op humoristische wijze, struikelend over microfoonsnoeren, van deze taak kweet.

De hoofdprijzen werden uitgereikt door de directeur van de kampioen van vorig jaar, de CVB. Graag had de heer Van der Sommen de wisselbeker aan zijn eigen ploeg overhandigd, maar daar stak Amsterdam een stokje voor: net als in 1981 verdween de hoofdprijs in de trofeeënkast van de Centrumbank. De CVB moest zijn tweede prijs zelfs delen met een andere Amsterdamse ploeg, die van de BdB.

De heer Van der Sommen sprak van een grandioze dag, waarop verschillende records waren gebroken en waarop slechts weinig mensen geholpen hoefden te worden door de EHBO (16 stuks - red.), dankzij een betere training en vooral dankzij een toegenomen sportiviteit. Dit laatste schreef hij op rekening van de toenemende eenheid in Spaarbankland. Tot slot riep de heer Van der Sommen op, om met gepaste sportiviteit en de nodige vechtlust door te gaan; de redactie kan het hier alleen maar mee eens zijn.

De organisatie van deze gesmeerd verlopende Sportdag was in handen van Geert Oldenborger, Ron Ton, Maurits Ruitenberg, Joop Smit en Guus Brackel. Voor de wedstrijdleiding tekenden Bart Oldenborger, Herman van Vuuren, Mar Ton, Lydia van Hulst, Riekje Zwart, Elly Smit, Agnes Ruitenberg, Dick Ruitenberg, Jan Willem van Dijl, Wim Brons en Guus Brackel.

Het geheel werd mogelijk gemaakt dankzij de bijdragen en de medewerking van de centrale instellingen: Bank der Bondsspaarbanken, Nederlandse Spaarbankbond, Stichting Spaarpropaganda en Computercentrum Bonds­spaar­banken.

Meer teksten uit mijn werkzame leven




In bad met Erica Terpstra

Mensen vragen mij weleens hoe het komt dat ik er, ondanks mijn gevorderde leeftijd, nog steeds zo goed uitzie. Tja, dat heeft alles te maken met een gezonde geest in een gezond lichaam. Ik was vroeger lid van de Melkbrigade: als je drie keer per dag melk dronk, dan kreeg je een diploma. In die tijd dacht men nog dat melk gezond was; bovendien moest er een enorme gesubsidieerde melkplas worden weggewerkt. Verder was ik lid van zwemvereniging De Robben. Elke maandagavond ging ik baantjes trekken. Ik ben zelfs weleens in bad geweest met Erica Terpstra. Ik bedoel: het zwembad aan de Kapelstraat in Hilversum. Zie ook Jeugdfoto's.



Zie ook:

En ook:




vorige       start       omhoog