Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM)

De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM of HIJSM) werd op 8 augustus 1837 te Amsterdam opgericht. De eerste spoorweg was de lijn van Amsterdam naar Haarlem, die op 20 september 1839 voor het publiek werd opengesteld. De lijn werd daarna doorgetrokken tot Rotterdam. Deze lijn wordt ook wel de Oude Lijn genoemd.

De spoorwijdte was aanvankelijk 1945 mm. In 1866 was al het breedspoor omgebouwd tot normaalspoor. Van het originele breedspoormaterieel is niets bewaard gebleven. In 1939 werd een replica gebouwd van de Arend en drie bijpassende rijtuigen.

Na de aanleg van de Oude Lijn kwamen er nog diverse spoor- en tramlijnen bij, voornamelijk in Holland. Een belangrijke spoorlijn was de Oosterspoorweg: Amsterdam – Hilversum – Amersfoort – Apeldoorn – Zutphen. Vanuit Hilversum werd een zijtak aangelegd naar Utrecht Maliebaan, met aansluiting bij Lunetten op de spoorlijn van de SS naar Den Bosch.

De HSM verzorgde ook de exploitatie van de lijnen Amersfoort – Kesteren en Dordrecht – Elst. De lijn via Nijmegen en Kleef was jarenlang een belangrijke internationale verbinding zowel voor personen als goederen. Verder was er de verbinding Amsterdam – Leeuwarden via de Zuiderzee, met een bootverbinding tussen Enkhuizen en Stavoren. Tevens exploiteerde de HSM diverse lokaalspoorlijnen en stoomtramlijnen.

De grootste concurrent van de HSM was de SS. Op 1 januari 1917 werd echter samen met de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen een belangenmaatschap gevormd. Dit leidde tot in een fusie en de oprichting van de N.V. Nederlandsche Spoorwegen op 1 januari 1938. De naam van de maatschappij leeft nog voort in die van het Haagse station Hollands Spoor. (bron: Wikipedia)



Utrecht, Jaarbeursplein, 6 juli 1989. Machinist en stoker van de Arend aan het werk tijdens het jubileum NS 150. Dit is een replica van een van de breedspoorlocomotieven die in 1839 dienst gingen doen tussen Amsterdam en Haarlem. De replica is in de werkplaatsen van de NS gebouwd, ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de spoorwegen in 1939. Ook de drie rijtuigen zijn replica's uit 1939.


Spoorwegmuseum Utrecht, 5 september 2003. Loc NS 2104, in 1914 gebouwd door Schwartzkopff. Dit is een voormalige HSM-loc. Vanwege het rammelende geluid werden deze locs 'Blikken Tinus' genoemd.


Spoorwegmuseum, 29 mei 2005. Loc 89 "Nestor", een snelloper van de HSM, in dienst gesteld in 1880. Bij de NS droeg deze loc het nummer 1010. De loc is in 1974 op reis geweest tijdens het jubileum 100 jaar Gooilijn.


Bergen-Binnen, 26 juli 1970. Loc 7742 "Bello" heeft jarenlang staan te verpieteren in de zeelucht, voordat ze werd gered door de Stoomtram Hoorn-Medemblik. Dit was oorspronkelijk een lokaalspoorloc van de HSM, gebouwd in het begin van de vorige eeuw.


Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij 1839-1889. Gedenkboek van de HIJSM, ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum. (origineel exemplaar)


De vrouw op het omslag heeft een sneltreinloc uit 1878 op haar schoot.


De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij. Door Jacq. van der Meer. Uitg. Uquilair, 2009. ISBN 9071513688.

Dikke pil met zeer veel foto's, helaas niet allemaal van de kwaliteit die we van Uquilair gewend zijn. De financieel-economische historie komt uitgebreid aan de orde, maar dat gebeurt ook al in het boek "Spoorwegen in Nederland" van Guus Veenendaal. In plaats daarvan had de schrijver meer aandacht kunnen besteden aan onderwerpen die nog niet vaak beschreven zijn, zoals de belangrijke rol van de HSM in de geschiedenis van de spoorwegbeveiliging in Nederland. Of zoals de bemoeienissen van de overheid via de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten, waar de HSM heel wat mee te stellen heeft gehad.


Hoewel er vaak wordt gesteld dat in de negentiende eeuw saaiheid en bekrompenheid heersten, valt niet te ontkennen dat, ondanks het feit dat we omstreeks 1830 als natie vrijwel failliet waren, ons land de aanleg van wegen en kanalen niet schuwde. Met de aanleg van spoorwegen lag dat aanvankelijk anders. Het betrof hier iets nieuws waarvan niemand wist hoeveel het allemaal wel zou kosten, er waren geen handelsbanken in Nederland die kredieten konden verschaffen, en algemeen vroeg men zich af of er aan al die nieuwlichterij wel behoefte was, omdat trekschuiten en diligences behoorlijke reismogelijkheden boden. Zelfs werden grote risico’s verwacht voor de volksgezondheid (kon een mens bij dergelijke snelheden nog wel ademen?), kortom, men zag spoorwegen niet zitten.

De Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij werd opgericht door enkele vooraanstaande Amsterdammers, die het voortouw namen om tot een spoorverbinding tussen Amsterdam en Haarlem te komen, nadat aanvankelijke plannen voor een spoorverbinding met Duitsland het niet hadden gehaald. Een enkele verbinding tussen Amsterdam en Haarlem was weinig zinvol, maar later kon de lijn vanuit Haarlem via Leiden en Den Haag naar Rotterdam worden doorgetrokken, hetgeen handel en nijverheid in Holland zeer zouden moeten bevorderen.

Een steuntje in de rug was de zogenoemde Railwaymania in Engeland, waarbij het aanvankelijk leek dat er met spoorwegen schatten te verdienen waren. Toen dit later bepaald niet het geval was verflauwde de belangstelling van de Nederlandse geldschieter en duurde het tot in de jaren vijftig eer de politiek met behulp van de ”Indische baten” de mogelijkheden schiep waardoor enkele Nederlandse spoorwegmaatschappijen tot ontwikkeling konden komen, waaronder de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij. Helaas beconcurreerden deze maatschappijen elkaar op leven en dood, hetgeen niet in het voordeel van de reiziger werkte. Pas in de Eerste Wereldoorlog vonden de overgebleven spoorwegmaatschappijen elkaar en begon een ontwikkeling die tot de hedendaagse toestand heeft geleid. Dit boek eindigt dus op het moment dat deze samenwerking gestalte kreeg.


De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij t/m 1890. Door N.J. van Wijck Jurriaanse. Uitg. Wyt, Rotterdam 1975. ISBN 9060075471. De geschiedenis van de HSM begon in 1839, met de breedspoorlijn van Amsterdam naar Haarlem, het begin van de "oude lijn" naar Rotterdam. Het boekje behandelt de geschiedenis tot 1890, toen het materieel van de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij werd overgenomen. Deel 4 van de serie Spoorwegen in Nederland.

De Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij 1890-1920. Door N.J. van Wijck Jurriaanse. Uitg. Wyt, Rotterdam 1977. ISBN 9060075579. De geschiedenis van de HSM tot 1920, toen besloten werd om de samenwerking met de Staatsspoorwegen te intensiveren. Hieruit onstond een belangengemeenschap die later Nederlandsche Spoorwegen zou gaan heten. Deel 5 van de serie Spoorwegen in Nederland.

 

Lokaalspoor- en tramwegen van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij. Door N.J. van Wijck Jurriaanse. Uitg. Wyt, Rotterdam 1978. ISBN 9060075773. De HSM exploiteerde behalve haar hoofdspoornet ook een groot aantal lokaalspoor- en tramwegen. Deel 7 van de serie Spoorwegen in Nederland.

Meer boeken van Wyt.


De breedspoorlokomotieven van de HIJSM. Door G.F. van Reeuwijk. Uitg. De Alk, Alkmaar 1985. ISBN 9060139275.

Toen in Nederland de eerste spoorlijnen werden aangelegd, werd gekozen voor breedspoor. Dit in navolging van het door Brunel ontwikkelde stelsel van de Great Western Railway (GWR). Maar net zoals de GWR uiteindelijk gedwongen was om op normaalspoor over te gaan, gebeurde dat in Nederland ook. In dit boek wordt de geschiedenis van de HIJSM beschreven, tot en met de spoorversmalling die in 1868 gereed kwam. Een herinnering aan de breedspoorperiode wordt gevormd door de replica's van loc De Arend en drie rijtuigen, die in het Spoorwegmuseum te zien zijn.


Stoomlocomotieven serie HSM 501-535 (NS-serie 2100). Door Paul Henken. Uitg. Uquilair, 2003. ISBN 9071513459. Van deze serie is loc 2104 bewaard gebleven in het Spoorwegmuseum.

Voor meer HSM-locs zie het thema Nederlandse stoomlocomotieven.


Zie ook:




vorige       start       omhoog