Nummersystemen, treinnamen, logo's

En iets over nationalisatie en privatisering.


Nummersysteem Britse locomotieven

In 1948 werden de vier spoorwegmaatschappijen in Groot-Brittannië genationaliseerd. Ze gingen op in British Railways. De vier maatschappijen, ook wel aangeduid als The Big Four, waren Great Western Railway (GWR), Southern Railway (SR), London, Midland & Scottish Railway (LMS) en London & North Eastern Railway (LNER). Deze vier maatschappijen waren in 1923 ontstaan tijdens de grouping van een groot aantal kleinere spoorwegmaatschappijen.

Bij de nationalisatie in 1948 waren meer dan 20.000 stoomlocomotieven betrokken, verdeeld over honderden classes. Voor deze locs werd een nummerschema ontworpen, waarbij de oorspronkelijke nummers zoveel mogelijk herkenbaar bleven. Dit deed men eenvoudig door er cijfers voor te zetten.

De locs van de SR werden genummerd vanaf 30000. De locs van LMS werden genummerd in de series 40000 en 50000, waarbij een grote groep oudere locs werd ondergebracht in de serie 58000. De LNER-locs, die in 1946 nog in een volledig nieuw nummerschema waren ondergebracht, kregen 60000 bij het locnummer opgeteld. De locs van GWR behielden hun nummers (onder de 10000). Deze keuze had te maken met het feit dat de GWR als enige koperen locnummerplaten gebruikte. De andere maatschappijen werkten met geschilderde nummers, die eenvoudig te veranderen waren.

Na 1948 heeft British Rail zelf ook nog stoomlocomotieven gebouwd. Voor een deel als vervolg op bestaande series, maar ook nieuwe ontwerpen. Deze werden genummerd vanaf 70000. In Groot-Brittannië heerste in 1948 nog de stoomlocomotief, maar in 1968 was het afgelopen. Dit terwijl in maart 1960 de laatste nieuwe stoomlocomotief in dienst was gesteld. Deze loc, nummer 92220, kreeg de toepasselijke naam Evening Star.

Diesellocomotieven kregen nummers vanaf 10000, elektrische locomotieven vanaf 20000. Typisch Engels was de gewoonte om de eerste loc van een serie het volgnummer 0 te geven, bijvoorbeeld de serie 27000-27006, bij de NS genummerd vanaf 1501.

Nummersysteem van Bulleid
Bij de Southern Railway voerde Bulleid een nieuw nummersysteem in, gebaseerd op de asindeling van de locomotief. Het aantal aangedreven assen werd aangeduid met een letter, de andere assen met cijfers. Zo was 21C een locomotief met twee loopassen voor, een loopas achter, en drie drijfassen. Daarachter kwam een volgnummer, bijvoorbeeld 21C1. Het systeem is alleen toegepast bij de door Bulleid zelf ontworpen locomotieven. Bij de nationalisatie in 1948 kregen deze locomotieven een 'gewoon' nummer. 21C1 (Pacific) werd bijvoorbeeld 35001, C1 (Class Q1) werd 33001. De elocs CC1 en CC2 werden 20001 en 20002.



TOPS Classification

In de jaren 60 werd een nieuw nummersysteem ingevoerd, de zogeheten 'TOPS Classification'. TOPS staat voor Total Operations Processing System, een computersysteem waarmee al het rollend materieel wordt beheerd. Locomotieven en treinstellen zijn als volgt ingedeeld (anno 2015):

  • 01-70 diesellocomotieven
    • 01-07 kleine rangeerlocs (tot 300 hp)
    • 08-13 grote rangeerlocs (300–799 hp)
    • 14-20 locs type 1 (800–1000 hp)
    • 21-31 locs type 2 (1001–1499 hp)
    • 33-38 locs type 3 (1500–1999 hp)
    • 40-50, 52, 53, 57 locs type 4 (2000–2999 hp)
    • 51, 55, 56, 58-70 locs type 5 (vanaf 3000 hp)
  • 71-79 gelijkstroomlocomotieven en elektro-diesellocomotieven (Class 73 en 74)
  • 80-96 wisselstroomlocomotieven
    • 82 Driving Van Trailer (stuurstandrijtuig), rijdt in combinatie met Class 91
    • 92 ook geschikt voor gelijkstroom derde rail, deed dienst in Kanaaltunnel
  • 97 diverse locomotieven (werktreinen, testlocomotieven)
  • 98 stoomlocomotieven met een toelating op het hoofdnet*
  • 99 schepen bestemd voor vervoer van treinen
  • 100-199 dieseltreinstellen met mechanische of hydraulische transmissie
  • 200-299 dieseltreinstellen met elektrische transmissie
  • 300-399 elektrische wisselstroomtreinstellen, bovenleiding (onder andere Eurostar)
  • 400-499 elektrische gelijkstroomtreinstellen, derde rail (Southern Region)
  • 500-599 overige gelijkstroomtreinstellen
  • 700 Thameslink
  • 800, 801 Super Express
  • 900-999 niet-commerciële treinstellen

* Betreft ruim 120 stoomlocomotieven. Voorbeeld: loc 60163 'Tornado' heeft het administratieve TOPS-nummer 98863. Het derde cijfer (hier een 8) geeft de 'power class' aan. De laatste twee cijfers zijn een volgnummer; indien mogelijk is dat gelijk aan de laatste twee cijfers van het originele locnummer.

Binnen een class kunnen ook subclasses voorkomen. Dan wordt er een schuine streep gebruikt, bijvoorbeeld Class 47/4. Vaak begint het volgnummer dan ook met het cijfer achter de schuine streep (in dit voorbeeld 47401 en hoger), maar dat is niet altijd het geval. TOPS werkt alleen met cijfers, de schuine streep heeft voor dit systeem geen betekenis.


Headcodes en train reporting numbers

Een "Bulleid Pacific" van de Southern Railways is met de Golden Arrow op weg naar Parijs. De loc heeft voorop twee witte schijven, op de plaats waar 's nachts witte lampen branden. De loc heeft nog andere ophangpunten voor schijven of lampen, zodat er allerlei combinaties mogelijk zijn. Op latere locomotieven werd gewerkt met een "train reporting number" in plaats van een headcode met witte schijven. Naar een schilderij van Roland Davies.


Headcodes werden overdag aangegeven met witte schijven, 's nachts met witte lampen. Het maximum aantal was vier (bij de Southern Railways zes) schijven. Het systeem stamt uit de stoomtijd. De betekenis van de codes is een paar keer veranderd, onder andere in 1962 en 1969. In 1977 is het gebruik van de headcodes afgeschaft. Voor zover aanwezig werden alleen nog de twee buitenste schijven gebruikt.

Op stoomlocomotieven werden losse schijven of lampen geplaatst. Latere locomotieven kregen schijven die konden worden open- of dichtgeklapt. Bij een opengeklapte schijf kwam ook de witte lamp erachter vrij. De schijf kon op twee manieren worden dichtgeklapt; hierbij werd de lamp wel of niet afgedekt. De lampen werden apart bediend.

De in de jaren zestig en vroege jaren zeventig gebouwde treinen kregen een bak waarin een code kon worden getoond, het zogeheten train reporting number. Met deze code kon behalve het soort trein ook een indicatie van de bestemming worden gegeven.

In 1977 werd dit systeem afgeschaft (de train reporting numbers zelf worden nog wel gebruikt). Het was kostbaar in onderhoud en er waren nog maar weinig mechanisch bediende seinhuizen waarvoor de zichtbare code van belang was. Sindsdien werd de code 0000 getoond, of een zwart vlak met twee witte stippen. Het is ook wel voor­gekomen dat men hierin het locomotiefnummer liet zien.


Nederland

In Nederland kende men vroeger ook treinnummers die informatie over de route bevatten. Zo reed goederentrein 611823 van de Watergraafsmeer (11) naar Susteren (82). Het laatste cijfer, in dit geval een 3, betekende dat het de derde trein van die dag op deze route was.

Zie ook het thema over treinseinbeelden.



York, National Railway Museum, 24 juni 2008. Stanier Black Five nummer 5000. De loc staat in het deel van het museum dat is gewijd aan Royal Trains en draagt ook de headcode die bij dit soort treinen hoort: vier koplampen. Een dergelijk eenvoudig werkpaard zal echter nooit de eer hebben gehad om een koninklijke trein te trekken.


York, National Railway Museum, 24 juni 2008. Een beetje trein droeg niet alleen een headcode, maar ook een plaat met de naam van de trein. Op deze foto enkele roemruchte treinnamen uit het verleden.


Spoorwegmuseum Utrecht, 22 oktober 2008. Twee plaquettes die herinneren aan Britse locomotieven die na de oorlog bij NS hebben dienst gedaan: stoomlocomotieven van het War Department, en elektrische locomotief 6000 van de LNER, een voorloper van de latere NS-serie 1500. Deze loc werd Tommy genoemd, de bijnaam die Britse soldaten tijdens de oorlog droegen. De duizendste stoomloc die naar het vasteland van Europa werd verscheept, werd vernoemd naar de Longmoor Military Railway. Hier werden vanaf 1903 militairen getraind in het aanleggen van spoorlijnen en het bedienen van treinen.


Privatisering British Railways

Peterborough, 23 juni 2008. Sneeuwploeg ZZA ADB965232. Het ding is eigendom van Network Rail, de beheerder van het Britse spoorwegnet. Op het spoorwegnet laten diverse vervoerders treinen rijden, in het kader van de marktwerking. Deze vervoerders bezitten zelf geen treinen, maar leasen die van verschillende bedrijven. De privatisering uit 1996 is te ver doorgeslagen, met gebrekkig onderhoud en ongevallen tot gevolg. Dit heeft ertoe geleid dat de netwerkbeheerder (Railtrack) in 2001 weer in overheidshanden kwam en een andere naam (Network Rail) kreeg. Huiswerkopdracht: trek een parallel met de Nederlandse situatie. Denk daarbij aan de dagelijkse stroom-, wissel- en seinstoringen, aan de STS-passages, en aan vertraagde goederentreinen die voorrang krijgen op op tijd rijdende ICE's. Of denk aan de landelijke chaos als er eens een halve centimeter sneeuw valt. Volgens ProRail, dat in tegenstelling tot Network Rail geen sneeuwploegen bezit, gaat het dan om "een verkeerd type sneeuw".


Logo's

De logo's van British Railways uit 1948 en 1956. Het logo uit 1948 stamt uit het jaar waarin de vier Britse spoorwegmaatschappijen (The Big Four) werden genationaliseerd. Het logo wordt ook wel 'Unicycling Lion' genoemd: leeuw op eenwieler. Het logo uit 1956 heeft als bijnaam 'Ferret & Dartboard': op een afstandje lijkt het alsof een fret een dartboard ophoudt.

 
 

In 1962 voerden de Britse spoorwegen een nieuw logo in. Het stelt een spoorlijn voor, waarop treinen van links naar rechts of van rechts naar links kunnen rijden. In 1968 kwam NS met een ontwerp dat dit concept verder uitdiepte. Op een spoorweg kun je namelijk ook rondjes rijden, vandaar de gedeeltelijk aaneengesloten pijlen. De bijnaam van dit ontwerp (gemaakt door Gert Dumbar en René van Raalt) luidt 'vishaak'. Het logo van British Railways wordt nog steeds gebruikt op treinen en stations, hoewel deze maatschappij zelf niet meer bestaat. Zie ook het thema Huisstijl en logo's.


Zie ook:




vorige       start       omhoog